
On the way to Japan, I read through your book. It is simply very interesting and impressive. It is of course the book about the architects’ office, but also about the dramatic story of the personal life.
In Japan we also have some books or Internet blogs about architects' daily life. But it is not so exposed. I just wonder how the clients felt about it. Maybe some stories are not so very nice for them.
Usually we architects are afraid of telling such kind of secret to public because of the relationship with the clients. Could you manage? Or maybe you intend to be brutal to the clients, because you have a very strong confidence that such a small conflicts can be overcome with your straightforward attitude?
Anyway it is very clear for me that you are going on a very clear track. I appreciate it very much, and it encourages me a lot. It also is a very good book to students. Thank you again. (less)
Nadat hij een bevlogen lezing van Herman Hertzberger in Londen had bijgewoond, trok de pas afgestudeerde Don Murphy prompt naar Nederland en schreef zich in aan het Berlage Instituut. Hij leerde er Leon Teunissen kennen en samen richtten ze in 1995 in Amsterdam het architectenbureau VMX op. Tien jaar later hebben Murphy en Teunissen aan de hand van oude agenda’s de balans opgemaakt van ontstaan en opgang van hun bureau. Afspraken, ontmoetingen, lezingen, wedstrijden, misgelopen en gerealiseerde opdrachten… alle elementen uit het dagelijkse bestaan van een bureau, krijgen een plaats in het boek.
Don Murphy doet in een echte romanstijl de hele VMX-geschiedenis uit de doeken. Zijn kijk op het niet zo romantische ontstaan van het architectenbureau is verfrissend eerlijk: beter één manager en één ontwerper dan twee ontwerpers, stelt hij, want er kan maar één ‘frontman’ zijn. Ook het traditionele ‘bouwen voor de familie’ en het moeizaam leren omgaan met de imperfecties van een realisatie maken deel uit van de eerste stappen van het bureau.
Het boek leest als een jongensavontuur met goeden en slechten en op het eind van het verhaal wint altijd – of toch bijna altijd – het beste ontwerp. De avonturen met een excentrieke bouwheer van een villa die moet worden verbouwd bijvoorbeeld, zijn zeer grappig. In sommige passages neigt het verslag naar een gedetailleerd dagboek om ook niet-betrokkenen te boeien, en stelt zich de vraag wat de opgevoerde personages denken van de rol die ze in het verhaal krijgen toebedeeld.
Dat VMX een eigenzinnige visie heeft op architectuurmonografieën, bewees het al in het eerste jaar van zijn bestaan. Zonder te wachten op een eerste realisatie verscheen toen reeds het overzichtswerk VMX ’95, een ambitieus visitekaartje dat nu een evenwaardige pendant krijgt. Na de ontwerp honger en naïeve the-sky-is-the-limitdromen is er nu een kroniek van de o zo aardse realiteit van het leiden van een ‘architectuurzaak’. Even waardevol als het eerste visitekaartje, maar een iets gebalder verhaal en meer ruimte voor de beelden had het bureau meer recht aangedaan. (less)
VMX Agenda is het merkwaardigste boek over een Nederlands architectuurbureau sinds lange tijd. Het is alles wat de gebruikelijke architectuurmonografie niet is. Gewoonlijk worden boeken over Nederlandse architectuurbureaus, waarvan er jaarlijks vele verschijnen, gemaakt volgens een vast recept. De architect vraagt en krijgt subsidie aan bij het Stimuleringsfonds voor Architectuur en andere subsidiegevers en huurt hiervan een criticus of architectuurgeleerde in. Die schrijft, als een echte feestredenaar, een niet al te lange lofrede op het werk van het bureau. Die wordt dan in het boek afgedrukt en gevolgd door een groot aantal mooie foto’s van gebouwen en ontwerptekeningen van de architect die meestal vergezeld gaan van beknopte, zakelijke beschrijvingen.
Voor VMX Agenda hebben de architecten van VMX, Leon Teunissen en de van oorsprong Ierse Don Murphy, het anders aangepakt. Zij gebruikten de hun verstrekte subsidies om, in het Engels, in ruim 300 pagina's uitgebreid de wederwaardigheden te vertellen van hun bureau VMX sinds de oprichting in 1995. Op een hoogstpersoonlijke, dagboekachtige manier schrijven ze of beter gezegd: vertelt Don Murphy, want hij is hoofdzakelijk aan het woord over alles waar een jong architectenbureau bij het bouwen in het Nederland van omstreeks de millenniumwisseling mee te maken kreeg: de ontmoetingen en besprekingen met opdrachtgevers en andere betrokkenen bij de ontwerpen en gebouwen, de publicatie van een boek, personeelsperikelen op het bureau, de overwegingen om een gebouw zus te maken en niet zo, moeilijkheden bij de bouw, conflicten, compromissen, ergernissen, en successen en mislukkingen.
In VMX Agenda is Murphy niet alleen opvallend openhartig over projectontwikkelaars in dure pakken en auto’s, maar ook over VMX zelf. Zo vertelt hij dat het bureau eens lang werkte aan presentatie om ten slotte te ontdekken dat de ruimte waar ze hun werk moesten tonen veel te licht was om de zorgvuldig voorbereide lichtbeelden te zien. Zulke luchtige anekdotes worden afgewisseld door serieuze beschouwingen over bijvoorbeeld het Nederlandse architectuurklimaat met zijn architectuurnota’s en -instellingen. Jargon blijkt hierbij taboe: VMX Agenda leest steeds leest als een goede roman. Zo is het boek niet alleen de merkwaardigste maar ook de beste Nederlandse architectuurmonografie sinds lange tijd geworden.
In een restaurant in het oude Olympisch Stadion in Amsterdam legt Don Murphy, in het Engels, uit war hem bezielde om zo”n hoogstpersoonlijke monografie over zijn bureau te maken. Ik beschouw het maken van boeken als onderdeel van ons werk, antwoordt hij op de vraag waarom architecten vroeg of laat een boek willen maken over hun werk. Je bent dagelijks intensief bezig met het maken van architectuur, je beleeft er vreugde aan en natuurlijk ook leed. Dan heb je de behoefte om hierover te vertellen, en om een bijdrage te leveren aan het debat over het vak. Het schrijven van een boek bleek ook een goede manier om na te gaan wat we nu eigenlijk precies hebben gedaan in de tien jaar van ons bestaan.
Over debat gesproken: aan het eind van VMX Agenda merkt u op dat de architectuurkritiek dood is in Nederland. Waar komt dat door?
Dat heeft deels te maken met de aard van de Nederlandse architectuurmonografieën. Dat zijn door de manier waarop ze worden gemaakt toch eigenlijk bedrijfsbrochures of reclamefolders. Soms doen architecten er nog een poging in om een theorie te ontvouwen, maar die verdient vrijwel nooit de kwalificatie theorie. Ook in de architectuurtijdschriften wordt zelden kritiek geleverd: meestal gaan de artikelen niet verder dan beschrijvingen van gebouwen. Dat is jammer, want kritiek kan je verder brengen. In de Angelsaksische cultuur is het in ieder geval veel gewoner om echte architectuurkritieken te schrijven.
Moet VMX Agenda daarom worden gezien als een proeve van zelfkritiek?
Nee, dat is overdreven, al hebben we onszelf niet gespaard en zijn we openhartig over onze missers en tekortkomingen. Maar we wilden wel iets anders maken dan de gebruikelijke architectuurmonografie. VMX Agenda is een anti-monografie. Het boek heeft geen gladde kaft met een blitse foto van een gebouw, maar is van kwetsbaar, wit papier met alleen maar enkele letters. En het bevat maar heel weinig foto’s en plaatjes en een grote hoeveelheid tekst.
Is het wel verstandig om zo openhartig te zijn over jezelf, de opdrachtgevers en andere betrokkenen bij het bouwen? Bent u niet bang dat mogelijke opdrachtgevers u gaan mijden om niet te worden afgeschilderd als iemand die voortdurend mobiel telefoneert?
Ik geloof niet dat we iemand belachelijk hebben gemaakt in VMX Agenda. We laten zien dat degenen met wie je te maken krijgt bij het bouwen gewone mensen zijn met ambities, deugden, tekortkomingen en eigenaardigheden. Het was ons streven om eens te vertellen wat er allemaal bij komt kijken als je goede architectuur wilt maken, als je bijvoorbeeld wilt dat een bedrijfsgebouw langs een snelweg niet een ontoegankelijke doos is maar ook publieke functies krijgt. Daar hoor je tijdens je opleiding nooit iets over. Als student moet je veel ontwerpen, maar je leert niet wat je allemaal moet doen om zo’n ontwerp gebouwd te krijgen, welke strategieën en tactieken je moet volgen. Daar is ons boek ook voor bedoeld. Met VMX Agenda wilden we ook laten zien hoe het was om in het Nederland van de jaren negentig te werken als jong architect. Heel de wereld keek toen toch naar Nederland als het land waar de meest relevante architectuur werd gemaakt.
Hoe hebt u VMX Agenda gemaakt?
Voor het schrijven hebben we gewerkt met een soort ghostwriter, Olv Klijn. Met hem zijn avonden lang door onze oude agenda’s gegaan en hebben hem verteld over alle ontmoetingen, vergaderingen, presentaties, telefoontjes enzovoorts. Dat werd allemaal op tape gezet. De tekst die Klijn daarvan maakte, is verschillende keren bewerkt om er een lopend verhaal van te maken. Dat klinkt nu heel gemakkelijk, maar het was een langdurig werk.
Wat is moeilijker? Een gebouw maken of een boek schrijven.
Architectuur is moeilijker. Bij het bouwen heb je met veel meer betrokkenen met allemaal hun eigen wensen. Bij een boek kun je veel meer je eigen gang gaan en heb je niet te maken met welstand, toekomstige gebruikers en opdrachtgevers met wier geld je werkt. Natuurlijk hebben voor VMX Agenda wel besprekingen gehad met de uitgever en de grafisch ontwerpers, maar dat is toch niets vergeleken met al die vergaderingen die bij bouwen komen kijken. Bij een boek is het uiteindelijk toch de schrijver die de beslissingen neemt.
In VMX Agenda schrijft u dat u zelden tevreden bent over de gerealiseerde gebouwen. Bent u wel tevreden met het boek?
Niet helemaal, nee. Met VMX Agenda is het net als met onze gebouwen. Als die klaar zijn, zie ik allerlei gebreken, foutjes en dingen die ik toch anders had gewild. Maar misschien heb ik nog niet voldoende afstand genomen tot het boek om VMX Agenda echt te kunnen beoordelen. Soms merk ik dat ik onze gebouwen beter begin te vinden als ik ze lange tijd niet heb gezien. Zo was ik jaren geleden helemaal niet tevreden over een gebouw van ons in Den Bosch. Maar toen ik het onlangs weer terug zag, vond ik het helemaal niet zo slecht. Sterker nog, ik vond het eigenlijk wel goed.
Bernard Hulsman (less)
Hoe komt een gebouw tot stand vanuit het oogpunt van een architect en hoe verloopt de wordingsgeschiedenis van een architectenbureau? Interessante achtergronden, bewijst Don Murphy van VMX Architects. Hij schreef een boek waarvoor hij de eigen archieven grondig doorspitte.
Veel architectuuruitgaven kenmerken zich door prachtige foto’s van gebouwen, waarbij summiere bijschriften zijn geplaatst. Soms is er nog wat achtergrondinformatie of is het programma van eisen beschreven om aan te tonen hoe goed het resultaat voldoet. Naar het opgeleverde gebouw gaat de aandacht; het gaat om het beoogde eindproduct. Dat is bij gebouwen niet anders dan bij bijvoorbeeld auto’s. De wording van een nieuw model is ondergeschikt aan de glanzende verschijning in de showroom.
Juist daarom is de nieuwe uitgave VMX Architects Agenda van uitgeverij 010 zo bijzonder. Het boek toont aan de hand van herinneringen, feiten, speculaties en anekdotes de boeiende ontstaansgeschiedenis van het architectenbureau VMX. Murphy vertelt over de discrepantie tussen opleiding en praktijk, het verschil tussen hemelbestormend denken en de harde realiteit als architect, die zich een kleine vis voelt in een oceaan vol opdrachtgevers, regels en economische haalbaarheid. Openhartig verteld hij over ontwerppresentaties, het gedraai van politici, en over hoe een resultaat niet zo goed blijkt als het zou moeten zijn volgens zijn eigen standaard, omdat derde hun zin doordrukken. Het resultaat is een zeer persoonlijk en leesbaar verhaal geworden tegen de achtergrond van de jaren negentig, een periode waarin de architectuur in Nederland een vlucht nam. Het boek is prachtig ontworpen. Naast enkele kleurenfoto’s zijn er heel veel kleine zwart-witfoto’s, tekeningen en schetsen opgenomen, die eigenlijk vooral dienst doen als garnituur rond de tekstblokken. Het gaat in deze uitgave duidelijk om de tekst en die is verrassend goed. (less)
Allereerst mijn complimenten voor jullie recente uitgave VMX Architects >
Agenda.
Een mooi boek met een origineel ‘format’. Het geeft een ongebruikelijke maar
openhartige kijk in de keuken van een architect(enbureau).
Dat het vanuit een eigen, persoonlijk perspectief geschreven is met een iets
heroïsche lading, meer dan de werkelijkheid soms zal zijn geweest, lijkt mij
een acceptabele, ‘dichterlijke’ vrijheid.
Bij de beschrijving van het project blok 17 IJburg, viel mij echter op dat
jullie de werkelijkheid wel heel veel geweld aandoen. Omdat ik hierbij niet
wilde vertrouwen op mijn eigen waarneming en herinnering alleen heb ik één
en ander geverifieerd bij de destijds betrokken architecten.
Zo wordt vermeld, dat het stedenbouwkundig ontwerp van mij onhaalbaar bleek
en daarom de uitwerking van plannen onuitvoerbaar zouden zijn. Dit is
correct.
Echter, daar waar de onuitvoerbaarheid van het plan te maken had met mijn
stedenbouwkundig ontwerp, is dit door sommige architecten direct bij de
presentatie van de eerste schetsen al fors aangepast. Zo hadden NL
architecten en Arons en Gelauff direct al afwijkende, simpeler blokken dan
de door mij voorgestelde ‘pandenstructuur’. De architectenCie en de
architectengroep (later SeARCH) volgden later. Dit was op zich jammer en ook
Ton Schaap betreurde de snelle dood van het schema.
Alleen jullie bleven vasthouden aan het ‘concept’ van diepe, smalle
woningen. Dit was Dons keuze (als je A zegt moet je ook B zeggen & ‘be a
man’) en daarin botste hij veel met Riep Paulusma (de Principaal) die hij
van een ‘attitude’ betichtte.
De onuitvoerbaarheid had ook te maken met de randvoorwaarden. 5 Architecten
op een blok, een menging
van categorieën per architect en nog enkele andere randvoorwaarden maakten
het plan onmogelijk. Hier had de opdrachtgever alleen iets aan kunnen doen
maar aangezien die bestond uit een gelegenheidscombinatie van partijen met
heel verschillende belangen (en die elkaar zeer matig vertrouwden) was dit
kansloos.
De plannen zijn vervolgens het slachtoffer geworden van een scherp dalende
verkoop van woningen (een teruglopende economie) en een slecht imago van
IJburg. Of ik hieraan bijgedragen heb door mijn brieven in
het Parool weet ik niet maar ik vond het onverantwoordelijk dat zoveel geld
opging aan bijkomende kosten en grondkosten en dat de aannemers aantoonbaar
hogere begrotingen leverden dan gebruikelijk. In Leidsche Rijn bijvoorbeeld
lagen de kosten ongeveer 20% lager. In mijn ogen onverklaarbaar en kopers
‘ruiken’ dit op termijn toch wel. Mijn stelling was; bedonder ze niet want
vroeg of laat krijg je daar problemen mee. Dit gebeurde
wel heel vroeg.
Extra wrang is dat men ons terzijde heeft geschoven om zodoende de weg vrij
te maken voor een ‘architect met woningbouwervaring’. Men wilde snel bouwen.
Bijna 5 jaar later werd er nog niet gebouwd en dit is voor mij het bewijs
dat de opdrachtgever ons slechte nieuws niet begreep. De boodschapper werd
geofferd en de volgende architect, Atelier Döll, kwam er met al zijn
woningbouwervaring ook niet uit.
Jullie stelling dat ik een onuitvoerbaar stedenbouwkundig model opdrong en
daar niet aan wilde tornen is pertinent onwaar, zie de ontwerpen van de vier
andere architecten.
Daarnaast is het zo dat alle architecten een te duur plan gemaakt hadden.
Arons en Gelauff zaten vrij snel redelijk op budget. Zo begonnen Floor en
Arnoud met woningen van 250 vierkante meter onder aanmoediging van de
opdrachtgever terwijl een jaartje later de grote kritiek was dat hun
woningen te groot waren. Desalniettemin zaten ze weer snel op budget. NL
architects volgde ook met een simpel plan met de ‘behang’ gevel die onder
druk bleef staan, de Cie was snel op budget terwijl twee jaar later het
overstek bovenin toch budgetproblemen opleverde. De opdrachtgever
accepteerde dit vooralsnog omdat hier de dure appartementen zaten en wij
hebben veel moeten wijzigen om uiteindelijk vrijwel op budget te komen. De
brief van Han Michel aan jullie vonden wij allen erg ‘bot’. Hij was op
zichzelf verklaarbaar maar er was weinig begrip voor en was bedoeld om
jullie te dwingen ook iets aan de budgetoverschrijdingen te doen. Jullie
hebben dit geweigerd onder het mom van jullie eigen begrotingen die
‘bewezen’ dat het wel kon. Het bleek dat Han onder grote druk stond; enige
tijd later was hij directeur af.
Jullie stelling dat mijn plandeel te duur was en jullie op budget zaten is
daarmee ook pertinent onwaar.
De volgende feiten blijven overeind.
Het is jammer dat het plan niet door is gegaan.
Alle partijen hebben daar hun aandeel in gehad en jullie conflict met Han
was daar een heel cruciaal in, zeker niet ondergeschikt. Ik wil dit verder
niet ‘veroordelen’, had er zelfs gedeeltelijk begrip voor maar het lag in
jullie macht daar iets aan te doen.
Jullie rol van slachtoffer (meer dan het feit dat wij allen ‘de laan
uitgestuurd werden’) is onterecht.
Het is mooi dat jullie ontwerp uiteindelijk geleid heeft tot een uitgevoerd
plan elders en het bewijs levert dat het een goed (en uitvoerbaar) ontwerp
was. (less)
Architecten monografieën worden steeds vreemder. Waar Uitgeverij 010 eens de basis legde voor een gedeelte van het succes van de Nederlandse architectuur in het buitenland met de statig vormgegeven eregalerij zwart-wit monografieën van onder andere Koen van Velsen, Wim Quist, Carel Weeber, Jo Coenen, Gunnar Daan en Wiel Arets, is de monografie, of beter de automonografie van VMX Architects één van de meest vreemde boeken die ze ooit hebben uitgegeven.
In de begintijd van de monografie werd een min of meer onafhankelijke deskundige gezocht, die in een inleiding het werk van de architect in een breder theoretisch en historisch kader plaatste. De rest van het boek bestond uit een plandocumentatie in foto’s, schema’s en tekeningen. Verder vaak voorzien van een ‘wetenschappelijke’ oeuvre lijst en CV van de betrokken ontwerpers. De El Croquis vaart nog steeds wel bij dit format. En het blijft boeiend en nuttig om goed gedocumenteerd werk van een bureau rustig thuis op de bank te kunnen bestuderen, hoewel het de daadwerkelijke live ervaring van een gebouw natuurlijk nooit kan vervangen. Maar een beetje architectenbureau wacht tegenwoordig niet meer af tot ze door een uitgeverij, de redactie van El Croquis of een verdwaalde wetenschapper benaderd wordt om een boek te maken. Je zorgt zelf voor je boek. Want laten we wel wezen, geen betere reclame voor je bureau dan het bewijs dat je werk zo belangrijk en invloedrijk is, dat het in een prachtig gefotografeerd en kloek vormgegeven boek staat. Dus een bureau met ambitie benadert zelf een uitgeverij of wetenschapper en neemt en passant ook de financiering in eigen hand. Waarmee de onafhankelijkheid van de auteurs en uitgeverij natuurlijk wel in het geding komt. VMX had al vroeg begrepen dat een boek hebben nieuw werk betekent en gaf hun eerste boek VMX ’95 nog geen twee jaar na oprichting van het bureau uit. Ze schreven het zelf, lieten het zelf drukken, financierden het zelf en verkochten het uiteindelijk ook zelf. Met dit visitekaartje werden ze meteen serieus genomen, zo kunnen we lezen in hun tweede boek VMX Architects Agenda dat net uit is.
VMX Architects Agenda is een min of meer chronologisch relaas van het ontstaan en de ontwikkeling van het bureau. Het naamgevende driemanschap bestond uit Ed Veenendaal, Don Murphy en Reinier de Graaf. De Graaf verliet vrij snel het bureau voor OMA, de doorgestreepte G werd een X. Inmiddels maakt ook de in het begin geldschietende projectontwikkelaar Ed Veenendaal geen deel meer uit van het bureau. Leon Theunissen vormt nu samen met Don Murphy de directie (hoewel Theunissen er eerst over gedacht had een kantoor met Nathalie de Vries en Jacob van Rijs te beginnen, koos hij toch voor Don Murphy omdat hij hem eerder gevraagd had). Theunissen wordt als de project manager, technisch en budgettair verantwoordelijke opgevoerd en Don Murphy als de architect.
Op een klein hoofdstukje na is het boek door Murphy geschreven, of althans door zijn ghostwriter Olv Klijn. Bijna driehonderd pocket formaat pagina’s lang babbelt hij, anekdote na anekdote, door over hoe het allemaal zo gekomen is. We kunnen lezen dat hij altijd mooie pakken aanheeft en ‘acceptabele’ auto’s rijdt. Dat hij eigenlijk de tentoonstelling Nine + One heeft geïnitieerd, maar dat Lars Spuybroek de titel heeft bedacht. Dat een bepaalde opdrachtgever hem nooit een kop koffie aanbood, de vrouw van deze opdrachtgever er overigens als de werkster uitzag en een bepaalde assistente van een andere opdrachtgever enkel Cola Light wenste te drinken en geen Pepsi. De society pagina’s van ArchiNed zijn er niets bij. Helemaal als Murphy vertelt hoe de Rijksbouwmeester VMX een brief stuurt waarin hij aangeeft problemen te hebben met de ramen in het gebouw van de directie Noordzee. Naar zijn idee benadrukken de ramen teveel de verdiepingen, in plaats van ervoor te zorgen dat het gebouw de gewenste monoliete indruk geeft. Gelukkig had Murphy tijdens het afscheidsfeestje van Kristin Feireis als directeur van het NAi zijn stoel aan Jo Coenen afgestaan (iets wat Coenen zeer waardeerde, maar Murphy niet meer dan beleefd vond). Daardoor was slechts één telefoontje naar Coenen voldoende om de gevelkwestie op te lossen. Als Murphy dacht dat het zou werken dan was Coenen akkoord.
Maar behalve pedant - je moet maar durven om in een voetnoot uit te gaan leggen dat je in de zin: ‘...architecture should be able to appeal to both the cultural and the commercial worlds in a heroic manner’ eigenlijk Tafuri uitdaagt - is het boek goudeerlijk, open en oprecht geschreven. Alle overwegingen over alles staan erin, van gebouwen tot de vormgeving van het boek zelf en de financiering ervan. Het is alsof je een uittreksel van de dagboeken van Murphy leest. Maar een volledige opening van zaken geven maakt nog niet dat hetgeen waarover je opening van zaken geeft kwaliteit heeft, laat staan dat de opening van zaken an sich kwaliteit heeft. Het boek geeft een goed beeld van de bizarre vernederingen die een architect dagelijks moet doorstaan. Maar dat weet iedereen die langer dan een jaar in de praktijk werkt. Verder levert het een bijdrage aan het inzicht in een periode in de Nederlandse architectuur die, gezien de ‘after the party’ publicaties die afgelopen periode verschenen, kennelijk een feestje was.
De ontwerpen en gebouwen van VMX komen er eigenlijk maar bekaaid af. De tekeningen en foto’s zijn, op een paar pagina grote kleurenfoto’s na, erg klein, terwijl er toch ruimte genoeg was op de bladzijden. Dat blijkt een vormgeving keus te zijn zo valt te lezen. Ook in de tekst wordt jammer genoeg niet duidelijk wat VMX nou wil, behalve nieuwe opdrachten en dan ‘architectuur’ maken. Zo om de tien bladzijden wordt de hoop uitgesproken om met deze nieuwe opdrachtgever ‘eindelijk eens architectuur te kunnen maken’, en in een enkel geval schijnt dat ook gelukt te zijn. Wat deze architectuur dan inhoud blijft vaag. Er wordt wel iets gezegd over de wens om de commerciële wereld, waarin de markt alles bepaald, te koppelen aan de culturele. Maar wat, afgezien van het feit dat bijna ieder gebouw in dat spanningsveld tot stand komt, daar nu specifiek de VMX insteek bij is blijft onduidelijk. Er wordt een voorkeur uitgesproken voor lichte en artificiële materialen. En talloze voorbeelden passeren de revue, van Neutelings recept voor een gebouw in At Work tot aan sociaal ideologische posities à la Forum, maar ook Foster, Weeber, Tafuri en Utzon. Wat VMX Architects met deze blik achter de schermen wil bewerkstelligen is duister en of VMX met dit boek nieuwe opdrachten zal verwerven is zeer de vraag. Verschillende mensen hebben VMX dan ook afgeraden - zo valt te lezen in het boek - om VMX Architects Agenda zo uit te geven.
Een gebouw ontwerpen voor iemand, en zeker een huis, is in veel opzichten intiemer dan het bed met iemand delen. Enige discretie en terughoudendheid ten aanzien van de opdrachtgever past daarbij. En stel je voor dat Don Murphy in een volgend boek over jou gaat zeggen dat je vrouw eruit ziet als de werkster, of dat samenwerken met jou zo balanceren op het randje van criminaliteit is, dat hij iedere keer bij vertrek na een vergadering onder zijn auto moet kijken. Volgens een interview met Murphy in de Architect hebben ze het bordeelbezoek dan nog buiten beschouwing gelaten. (less)
Het is een bekende anekdote dat architecten uitsluitend over hun eigen werk kunnen praten. Don Murphy vertelt in het boek de VMX agenda de ontstaansgeschiedenis van het eigen architectenbureau. Ook hij kiest er voor om het speelveld van de architect te beschrijven vanuit het eigen beroepsperspectief. Tegelijkertijd slaagt VMX er in met deze soms hilarische verhalen over de ontluisterende gang van zaken in allerlei zeer verschillende opdrachtsituaties een tijdsbeeld te schetsen van de qua architectuurproductie zo succesvolle jaren negentig. Dit tijdsbeeld wordt, gezien door de ogen van een jonge, internationaal georiënteerde architect, beheerst door mannen. Opdrachtgevers, bouwers, ambtenaren, critici, docenten, architecten; voor 98 procent mannen, die er niet op uit zijn gezamenlijk te strijden voor het beste resultaat. De gerealiseerde ontwerpen voldoen achteraf zelden aan de oorspronkelijke verwachtingen van de architect. Terwijl Murphy in zijn optiek de opdrachtgevers veel meer geeft dan ze vragen. Maar meestal zijn ze in deze toegevoegde kwaliteit helemaal niet geïnteresseerd. Niettemin constateren de architecten aan het eind van het boek dat VMX nu een gesetteld bureau is. In de komende jaren hopen de architecten stadhuizen, musea en theaters te kunnen gaan bouwen. Daarmee komt een einde aan een periode van meeslepend beschreven experimenteren.
Problematische opdrachtsituaties, die de geschiedenis van VMX bepalen, lijken de laatste jaren toe te nemen. De ruimte om nog architectuur te maken, moet bevochten worden op allerlei andere belangen. In de jungle van de aanbestedingsprocedures vindt een uitsortering van architectenbureaus plaats. Aan de top weet zich een kleine groep te handhaven. Dus is er eigenlijk geen probleem. Rem Koolhaas heeft tien jaar geleden al aangetoond dat er landen zijn met een veel lagere architectendichtheid en een hogere bouwproductie dan Nederland. De bouwproductie loopt geen gevaar, wanneer architecten zich niet weten te handhaven. Bouwbedrijven bieden (ook publieke) gebouwen aan, inclusief exploitatie- en onderhoudscontracten. Niet het ontwerp is vanzelfsprekend sturend voor de nieuwbouw; dat kunnen evengoed de bouwtijd, de bouw- of de exploitatiekosten zijn. Wie architectuur uitsluitend bekijkt als een product van de vrije markt, kan constateren dat de bouw niet ontkomt aan werkwijzen die elders ook de gang van zaken in het bedrijfsleven (en steeds vaker ook bij overheidsdiensten) bepalen.
Maar wie architectuur tegelijkertijd ziet als deel van de cultuur en als discipline die vorm geeft aan de publieke ruimte in de samenleving hanteert ook andere criteria. De VMX agenda geeft inzicht in de moeite die het kost om deze publieke functies en culturele kwaliteiten te beschermen in het proces tussen ideeontwikkeling en bouwproductie. Voor VMX heeft het woord agenda ondermeer de betekenis van een geloofsbrief, een programma voor de toekomst. Met deze publicatie leveren ze een bijdrage aan het noodzakelijke debat over de gewijzigde positie, de afgenomen speelruimte van de architectuur. Architecten zullen onder ogen moeten zien dat ze steeds meer terrein verliezen, zolang ze zich beperken tot het leveren van heroïsche gevechten rond individuele bouwprojecten. Evenals andere sectoren zullen ze zich beter moeten organiseren om de belangen van de sector te behartigen. Van de prioriteiten die ze daarbij stellen zal het afhangen in hoeverre steun uit de culturele of publieke sector vanzelfsprekend is. (less)

